Een Nederlandstalige boekenblog door Sjoukje Croux

Mogelijk gemaakt door Blogger.

Recensie: Een liefde van Sara Mesa

De jonge vertaalster Nat voelt zich niet meer op haar plek in de stad, waar ze het te vluchtig en anoniem vindt. Ze gaat haar geluk beproeven op het platteland en huurt een vervallen huisje in het dorp La Escapa. Dat de huisbaas een opdringerige, nare man is die soms ongevraagd binnen staat, neemt ze op de koop toe.

Wat wél goed gaat is het contact met haar dorpsgenoten. Ze zijn vriendelijk en geven haar het gevoel dat ze welkom is. Maar Nat is ook onzeker en pakt de dingen niet altijd aan zoals de dorpelingen vinden dat het hoort. Dat levert haar een hoop weerstand op, en ondanks haar goede wil brengt haar onhandigheid Nat uiteindelijk juist dieper in de problemen.

Een liefde is een roman vol stiltes, misverstanden en vooroordelen. Sara Mesa portretteert zonder te oordelen een jonge vrouw die soms het verkeerde doet, terwijl ze alleen maar onafhankelijk wil zijn. Ze weet alleen niet precies hoe.

Recensie: Raam, sleutel van Robbert Welagen

Uit hoeveel levens bestaat een mensenleven? Het leven van schrijfster Karlijn komt plotseling tot stilstand wanneer ze op één dag Hanna ontmoet, een vrouw voor wie ze direct gevoelens krijgt, maar ook haar vriend verliest bij een ongeluk. Wie vind je terug als je de dag erna wakker wordt, jezelf of een ander? 


Karlijns omgeving verwacht dat ze rouwt, maar dat lukt haar niet. Haar uitgever hoopt dat ze haar verhaal vertelt, maar ze zwijgt. Wanneer ze Hanna steeds meer gaat zien als een medeplichtige, wordt het tijd om hun verhaal te herschrijven. 

Raam, sleutel is een intrigerend literair spel, over aantrekkingskracht en schuldgevoel, over rouw, leven en literatuur.




Drie maanden aan boeken


Ach, wat vliegt de tijd toch. Het is inmiddels 30 maart en ik besef nu dat de vorige keer dat ik een stukje tikte alweer rond kerst was en dat dit bericht jullie inmiddels al lang niet meer bereikt vanonder een dikke, wollen deken, maar vanaf mijn zonovergoten balkonnetje. Naast mijn laptop staat een glas citroenwater en ik bracht net nog een nieuwe laag zonnebrandcrème aan - ik kan het bijna niet geloven, maar het voelt als lente. Omdat een klein 'nieuw begin' altijd een mooi moment voor wat reflectie creëert, hierbij een kort overzicht van alles wat ik tot dusver las in 2021. Ik begon dit leesjaar met Op weg naar De Hartz van Wessel te Gussinklo, deel vier van de Ewout Meyster-reeks. Het was mijn tweede Te Gussinklo en hoewel ik denk dat De hoogstapelaar iets toegankelijker is, is dit een prachtig tweede boek om te lezen als je het niet aandurft om bij het begin (De verboden tuin, 1986) te beginnen. Hierna las ik In mijn mand van Lieke Marsman, een prachtige poëziebundel waar je het beste even de tijd voor kunt nemen. Ik las ook Honden huilen niet van Anne Moraal, een boek waar ik me aan waagde voor een boekenclub - over een Noord-Koreaans restaurant in Amsterdam Osdorp waar ik eigenlijk geen voeling bij kreeg. Daarna las ik Opwindende tijden van Naoise Dolan. Toen had ik het gevoel even in een iets minder goede leesflow te zitten want ook dit vond ik niet zo top, maar daar moet ik ook bij zeggen dat het erg à la Sally Rooney is en dat dat een auteur is waar ik ook weinig warm van word. Hierna waagde ik me aan Lize Spits nieuwe pil Ik ben er niet, wat ik soms een beetje te spannend, vlot vond, maar waar ik op hetzelfde moment in drie dagen doorheen was en continu zin in had. (Dat deed me ook weer reflecteren op wat lezen nu eigenlijk zo leuk maakt: of het de 'complexiteit' is, het 'voldane gevoel' als je het uit hebt, of het feit dat je je een boek over tien jaar misschien niet meer kunt herinneren maar wel in één ruk wil uitlezen. Ik ben er nog steeds niet over uit, en zal dat misschien nooit zijn.)

    Na Spit ging ik verder met Mensen in de zon van Marijke Schermer - ik vond Liefde, als dat het is zo (!) mooi en Noodweer ook enorm: dit boek zat qua plot wat minder ongecompliceerd in elkaar en voelde af en toe wat meer onaf, maar dit werd ruimschoots gecompenseerd door de treffende zinnen die Schermer af en toe schrijft, waar ik iedere keer enorm van kan genieten. (Ik schreef over dit boek ook een kort stukje voor Het Parool, ik zal het hieronder invoegen.) Ik las ook Al het blauw van Peter Terrin, over een relatie tussen een oudere vrouw en een jongere jongen - het is een boek dat erg interessant geschreven is, met heel vloeiende overgangen tussen de perspectieven vanwaaruit je leest, helaas zorgde dit er bij mij juist op de één of andere manier voor dat ik de vaart soms een beetje verloor. Hierna las ik Sophie Lakmakers debuut De geschiedenis van mijn seksualiteit - niet De geschiedenis van de seksualiteit van Foucault, wat ik bijna per ongeluk aanschafte omdat een boekhandelaar me verkeerd verstond - wat ik echt fantastisch vond: komisch maar toch kritisch, überpersoonlijk maar toch kon ik me ermee identificeren. Ook waagde ik me aan Het lichtschip van Mathijs Deen, een boek over onder andere een bokje op een schip. Het was op bepaalde momenten heel sterk, maar verloor naar het einde toe wat aan overtuiging. Ook las ik Wij zijn licht van Gerda Blees - een aanrader die misschien wat spannend kan klinken omdat het vanuit vijfentwintig (geloof ik) verschillende 'dingen' geschreven is (dus, sinaasappelgeur, sigaretten, muren die dingen meemaken) - hoewel het ietwat experimenteel kan klinken voor de lezer die dit algauw quatsch vindt, vond ik het op geen enkel moment te hard geprobeerd en zorgde het er voor mij juist voor dat ik de personages - de ademhalisten - op een onvoorspelbare manier leerde kennen. [Echt waar, lees dit boek. Zeker als je net als ik enorm gefascineerd was over al het nieuws omtrent de woongroep in Utrecht een aantal jaar geleden.] Ook las ik Het aanbidden van Louis Claus van Helena Hoogenkamp, hier werd ik minder enthousiast van, ik moet eerlijk zeggen dat ik het met moeite uitlas omdat ik het vaak iets te geprobeerd vond voelen. (Soms heb je dat, en ik kan dan niet zo goed de vinger leggen op waarom dat zo is, in dit geval.) Melktanden van Emma Curvers kwam ook aan bod (een prima lenteboek, denk ik) en ik gaf een boekenclub over Aslast van A.H.J. Dautzenberg (een minder geschikt boek voor een luchtige lentedag, maar bijzonder geslaagd om te bespreken tijdens bijvoorbeeld een boekenclub door de onconventionele vorm.) Als non-fictie van deze drie maanden las ik Vrij van corona van Jaap Goudsmit, een boek dat je net wat meer geïnformeerd inzicht geeft in deze vreemde tijden. 

     Aan leestijd geen gebrek, zoals je ziet. Aan chronologische 'entoenentoenentoens' ook niet. 

    Ik begon vanochtend aan Herfst van Ali Smith (mijn eerste Ali Smith! Ik durf het bijna niet te typen), hierna begin ik aan Confrontaties van Simone Atangana Bekono (erg benieuwd, mijn stiekeme projectje is het lezen van alles op de Librislijst, maar ik wil dit niet te hard typen, misschien lukt het wel niet), en op de één of andere manier wil ik het nieuwe Meneer Wilder en ik van van Jonathan Coe heel graag lezen. Waarom dat zo is, weet ik eigenlijk niet, maar soms heb je dat - dat een boek naar je schreeuwt, en dat je het dan maar blijft tegenkomen. Er ligt nog heel veel méér op de stapel maar dat bewaar ik voor een volgende keer. Geniet van de zon, en vergeet niet altijd een boekje in je tas te stoppen. 

     (Ik voel me een beetje buiten adem. De volgende keer bespreek ik niet veertien boeken in in één keer. Adieu!) 





2020: een kleine terugblik (maar niet te treurig)

O, 2020. Ik heb meerdere malen geprobeerd een uitgebreid retrospectief te typen - 'wat een jaar, op dit moment voelde ik me zo en dat had dit effect op mijn leesgedrag, op dat moment ...' - maar ik heb het gevoel doodgegooid te worden met dergelijke artikeltjes. Het was een vreemd jaar. Ik las veel, maar niet zoveel als ik had voorspeld te zullen lezen, in maart. Ik las De pest niet (althans, niet uit, want het kwam te dichtbij; het resultaat is dat De pest nu naast La Peste staat omdat ik óóit in de veronderstelling verkeerde Frans te kunnen lezen. Ha.) Er waren weken waarin ik geen boek aanraakte (echt waar) (vooral in de zomer, toen cafeetjes weer even open waren en ik het gevoel had weer iets dichter bij méér mensen te kunnen zijn). Ik haalde mijn Goodreads Reading Challenge (die ik eerder in het jaar bijstelde van 60 naar 52, wat dan wel weer sip is). Maar het belangrijkste is: ik las mooie boeken. Hierbij, in volledig willekeurige volgorde, wat favorieten van 2020. Let wel: het zijn niet DE favorieten - het zijn de favorieten die in het afgelopen jaar verschenen, in eerste instantie geschreven voor de boekhandel waar ik werk. Zo las ik ook Compassie van Stephan Enter, wat ik een fantastisch in-één-adem-uit-boek vond. En Weg met Eddy Bellegueule, wat ik een erg mooi verhaal vond ook omdat het verschillen in klasse en milieu zo moeiteloos illustreerde. En Noodweer van Marijke Schermer (mooi) (sowieso een schrijver waarvan ik eigenlijk alles wil gaan lezen in 2021). En de bekende boeken De verborgen geschiedenis en Een klein leven (het eerste: goed, een heerlijk verhaal op het randje van thriller-spannend maar dan wel verhuld in rookwolken op een campus - het tweede: goed verhaal over vriendschap/familie, maar soms iets te onnodig tranentrekkend duister voor mij). En Daisy Jones & The Six (een boek dat ik normaal gesproken eigenlijk niet zou oppakken, maar 2020 als 'leesjaar' wel enorm goed deed starten). Ik las de Ditlevsen-reeks (voor mij varieerde het in 'mooiheid', (ik strooi met het woord 'mooi', in dit lapje, merk ik al - maar het laatste deel vond ik fantastisch). En véél meer. Ach, zoals je ziet, ondanks de persconferenties en eindeloze rondjes Vondelpark en avonden thuis en onafgemaakte puzzels en skeelers verstoffend in de berging: het was een mooi jaar, hoor. Als ik afga op de boeken die ik las in ieder geval wel. Ik ben benieuwd wat 2021 gaat brengen: ik ben in ieder geval nét begonnen met Op weg naar De Hartz van Wessel te Gussinklo, dat zal een goed begin zijn. Ik wens iedereen die op de valreep van 2020 nog uitkomt bij dit artikeltje een fijne jaarwisseling en een héél mooi leesjaar. Wat er ook gebeurt in de buitenwereld, je kunt je nog altijd opsluiten met een boek. 


Alle boeken die ik las vind je hier: klik 



Waarom ik lees (een pleidooi tegen schaamte)

Het is een beetje een pretentieuze titel, ik weet het: alsof er een essentieel verschil zou bestaan tussen een 'lezer' en een 'niet-lezer'. En dat is er niet, niet écht - maar dat idee bestaat wel, en ik denk dat het daar fout gaat in leesland. Sinds een paar maanden werk ik in een boekhandel en hier wordt het verschil tussen de 'lezer' en de 'niet-lezer' op een dagelijkse basis geïllustreerd. Regelmatig verkoop ik Pfeijffers boek Grand Hotel Europa, wat natuurlijk onwijs maatschappelijk én literair verantwoord is - regelmatig verkoop ik thrillers, die dan met toch wat minder parmantigheid over de balie lijken te worden geschoven. Het ene verschaft maatschappelijke kennis in een semantisch ingewikkeld jasje; het ander verschaft leesplezier zonder dat jasje en dat is toch zeker niet dat wat een boek moet doen? Vandaag las ik op de website van de Volkskrant een artikel over hoe 'ons' streven naar efficiëntie en tijdsoptimalisatie ervoor zorgt dat we minder (gevarieerd) lezen (klik). Ik ben het daar roerend mee eens: ik herken het bij mijzelf en mijn Goodreads reading challenge waardoor ik boeken per se wil uitlezen omdat het anders geen 'doel dient', ook al vind ik ze stom. Hetzelfde geldt voor mijn tegenwoordige (on)bewuste aversie tegen boeken van een pagina of achthonderd want in die tijd kan ik toch ook vier dunne boeken lezen? Hoewel dat een heel andere problematiek is, hangt het wel samen met dit probleem: de schijn van pretentie die om 'lezen' en 'lezers' hangt. Boeken lijken in een raamwerk te kunnen worden geplaatst waar de Zeven zussen van Lucinda Riley compleet tegenover eerste drukken van Mulisch en Hermans staan, waar het boek van Pfeijffer ook iedere week een traptree naar beneden glibbert omdat het toch wel erg beroemd aan het worden is. 




Laatst zat ik koffie te drinken met een vriendin. Ze vroeg me waaróm ik eigenlijk lees. Op de één of andere manier is 'het boek' mijn halve leven geworden: het is een van de weinige dingen waar ik over praat, mijn studie, mijn werk, iets wat ik een significant aantal uren per week doe - en toch wist ik deze vraag niet te beantwoorden. Mijn antwoord was dan ook onbevredigend, maar op hetzelfde moment onwijs waar: ik heb echt geen flauw idee wat ik anders moet doen. Wat doe je als je alleen in een café zit? Voordat je gaat slapen? Op het moment dat je zwemmen bent maar het water te koud maar het moment nog niet dáár om naar huis te gaan? Als je alleen eet? Als je met mensen bent en niets meer te vertellen hebt? Al dit illustreert waarschijnlijk mijn punt: dat ik niets beters te doen heb is enerzijds waar, anderzijds onwaar. Ik kan series gaan kijken, maar daar ben ik te onrustig voor. Ik kan gaan breien, maar waarschijnlijk zou ik mijzelf in een oog steken en verblinden. Ik kan gaan sporten, maar daar ga ik niet eens een tegenargument voor verzinnen. Lezen brengt me heel veel, op zo afgrijselijk veel verschillende manieren, dat het niet in één antwoord te verpakken is. 


Een tijd terug vroeg een collega me wat mijn lievelingsboeken zijn, uit welke auteur ik echt leesplezier haal. Hoewel ik wat stamelde - Rob van Essen, Marijke Schermer, Ottesssa Moshfegh, kortom, de normale boeken die onder de oppervlakte toch wel wat vreemder zijn... - heb ik hier nog veel over nagedacht. Mijn lieve-lievelingsboek ooit is De Nix van Nathan Hill, omdat dat boek me herinnerde aan wat lezen kan zijn: een obsessie, een niet-kunnen-stoppen met lezen, het enerzijds zó snel willen lezen dat je ogen het niet bij kunnen houden, anderzijds het gevoel van rouw dat je bekruipt zodra je het boek dichtslaat, omdat je een vriend bent verloren. Dat boek las ik een jaar of drie geleden voor het eerst (een dergelijk gevoel vind je niet vaak), maar het deed me vooral denken aan vroeger, hoe ik verliefd was op Edward Cullen en nog vroeger, hoe ik alle Carry Slee-boeken verslond, en nog vroeger, hoe de Griezelbus ervoor zorgde dat ik niet durfde te slapen en nog vroeger, hoe ik het maximaal aantal boeken uit de bibliotheek meesleepte naar de warme landen waar mijn oudjes me mee naartoe namen. Dat gevoel had ik al lang niet meer ervaren, tot ik een paar dagen geleden Compassie las van Stephan Enter. Het plot an sich is niet zo bijzonder - het gaat over een mislukte relatie - maar het herinnerde me aan wat een boek kan dóen. Dat bepaalde zinnen een fysieke reactie kunnen opwekken, niet eens een traan misschien, maar een steekje in je borst, een steek van herkenning, wat de intentie van die zin dan ook geweest mag zijn, al gaat het om een koffiekopje in het boek dat precies net zo blauw is als de placemat waar je kom tomatensoep op staat. Het kan álles zijn. Dat avondeten echt nog een uur kan wachten als je dan eerder het boek uit kunt lezen. Dat je de laatste vijftig pagina's nog eens wilt herlezen, gewoon, om dat gevoel nog eens te ervaren, maar dat dat niet kan op die manier - misschien over twee jaar - en dat je er dan weer andere dingen uit haalt. Iets soortgelijks ervaar ik op dit moment met de biografie van Susan Sontag: natuurlijk, een biografie is lekkere non-fictie, ik leer veel over metaforen en Freud en fotografie en zelfs wat filosofie. Maar een biografie is ook zien dat onze 'iconen' hun best deden te komen waar ze zijn of waren, verdriet hadden, soms ook geen flauw idee hadden van wat ze deden. Of wat 'online lezen' voor mij doet, het eindeloze op Instagram wauwelen over wat ik dan weer daar heb gekocht - met niets heb ik zoveel vrienden gemaakt als met boeken. 


Dat betekent natuurlijk niet dat een boek dit hoeft te doen. Boeken zijn 'boeken' ongeacht het label dat je er aan hangt. Het zijn kaften met pagina's ertussen, als het goed is staan er wat letters op die pagina's. Ze hoeven geen fysieke reactie op te wekken. Ze kunnen je kennis verschaffen die je vervolgens deelt of ergens in een laatje in je hoofd stopt. Ze kunnen je beter laten voelen over jezelf. Ze kunnen dat wat je ervaart in een vocabulaire gieten die je zelf niet hebt. Misschien zorgen ze er slechts voor dat de tijd voorbij gaat. En dat kunnen álle boeken doen. Al maken ze je boos omdat ze zo slecht geschreven zijn. Al maken ze je verdrietig, omdat je het zelf niet schreef. Ze doen altijd íéts, anders zou niemand lezen, zou niemand de moeite nemen om een boek te schrijven. Ik denk dat we actief moeten proberen de pretentie, waar ook ik me soms schuldig aan maak, van boeken te verwijderen. Om thrillers net zo veel 'boek' te laten zijn als boeken die op de literatuurtafel liggen. Om Lucinda Riley - met hoeveel verbetenheid ik dit ook typ - net zo veel waarde te geven als David Markson. Want hoewel het super literair verantwoord is dat ik Wittgensteins minnares op mijn nachtkastje heb liggen, snap ik er geen snars van, en is dat juist - hoewel het heerlijk kan zijn, de verwondering! - op dit moment precies níét wat ik zoek, nu in ieder geval. Lezen is een van de meest solitaire doch sociale activiteiten. Boeken zorgen ervoor dat ik vrienden maak, dat ik relativeer, emoties ervaar - soms heb ik drie weken lang geen zin om te lezen en ook dat is oké. Uiteindelijk maakt het echt niets uit wát een boek doet op welke manier - als het maar iets doet - als we ons maar nergens voor schamen. 

Wat woorden over De flard van Philippe Lançon

Mijn hemel, telkens als ik denk dat het 'niet zo erg' gesteld is met mijn blogposts werp ik een blik op het laatste dat ik schreef, en de verstreken tijd tussen artikeltjes lijkt steeds groter te worden. Op 15 juli plaatste ik voor het laatst iets - en dat was dan ook een summiere verzameling van korte stukjes over negen boeken die ik daarvoor las. Nu wil ik me niet telkens excuseren voor hoelang de stilte hier duurt, maar toch voelt het vreemd om het niet te doen. Ik wil nu niet weer een groot verzamelartikel schrijven over alles wat ik las de laatste tijd want - hoe pijnlijk dat ook mag zijn - het was niet zo veel. Vandaag stelde ik mijn 'Goodreads reading challenge' bij van 60 boeken in 2020 naar 52, en ik moet eerlijk bekennen dat dat een vrij pijnlijk moment was. Ik realiseerde me echter dat ik telkens naar dunne boekjes grijp om maar aan die mij door mijzélf opgelegde verplichting te voldoen, en dat is natuurlijk niet de bedoeling - want vaak zijn het de dikkerds waar je je even doorheen moet worstelen die je dan toch net iets meer raken dan de één-avond-dunnetjes. Zo ook De flard van Philippe Lançon, een boek over de aanslag op Charlie Hebdo dat ik zo intens goed vond dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om er niets over te schrijven. 



Ik kan het me nog goed herinneren, de 'Je suis Charlie'-foto's in de media, de grote verontwaardiging die ontstond na de overrompeling van iets waarvan ik denk dat niemand had verwacht dat het op zo'n manier zou gebeuren. Op 7 januari 2015 vielen in Parijs twee mannen, gewapend met kalasjnikovs, de redactievergadering van het blad binnen en lieten daar een ravage van twaalf doden achter. Er viel ook een tiental gewonden, waaronder Philippe Lançon. 


De flard is een verzameling van herinneringen. Aan de aanslag, uiteraard, maar het is véél meer dan een blik in retrospectief op een levens- maar vooral wereldveranderende gebeurtenis. Het boek begint met een beschrijving van de avond van tevoren, die Lançon met een vriendin in het theater doorbracht. We lezen dat Lançon daarna op de dag van de grote gebeurtenis wakker wordt, in zijn groezelige met boeken volgestouwde appartement zijn ochtendoefeningen doet, naar de redactie gaat, en zijn fiets voor de deur achterlaat. Hij beschrijft de redactievergadering, het moment van binnenkomst van de aanslagplegers, over hoe hij doet alsof hij overleden is om zijn eigen leven te redden en er later achter komt dat zijn kaak aan gruzelementen is. Ik merk dat ik het moeilijk vind om het niet sensationeel op te schrijven. Hoewel het dat is, voor mij, nu, want ik probeer het in een aantal woorden samen te vatten, is dat wat ik zo bijzonder vind aan dit boek: de sensatieloosheid van het werk. Want ondanks dat Lançons leven voor altijd anders is en hij een onderdeel geworden is van een heel naar stukje geschiedenis, lezen we dat hij na deze aanslag naar het ziekenhuis gaat, zich hier vooral bekommert om zijn achtergelaten fiets en zijn iPhone die stuk is gegaan zodat hij zijn vriendin aan de andere kant van de wereld niet kan bellen. Lançons proces is lang maar hij raakt bevriend met het ziekenhuispersoneel, en afgewisseld met passages over de gebeurtenis en zijn herstelproces zijn talloze referenties aan literatuur, theater, zijn eigen verleden en het leven in het algemeen. Wanneer het boek iets te medisch wordt draait het zich snel om naar iets waar ik erg van houd - boeken natuurlijk - en hoewel het soms een beetje langdradig is, vind ik dat juist de schoonheid van dit werk. Je wordt totaal meegezogen in het verhaal zonder te vergeten dat het beschrevene vreselijk is, maar met geen greintje zelfmedelijden verteld wordt. En dat is nodig, voor een verhaal als dit, denk ik. Lançon had door de gebeurtenissen een mensenhatend wrak kunnen worden en iedereen had het hem vergeven, maar hij zet de kracht van de literatuur in om zijn eigen ervaringen te verwerken en ze te delen met de lezer die voorbij de potentiële heftigheid van het werk kan kijken. Erg, erg mooi. 

zoek!